Verbod werkgever op gebruik mobiele telefoon op werkvloer

De minister van SZW heeft Kamervragen beantwoord over het verbod door een werkgever om mobiele telefoons op de werkvloer te gebruiken. Op basis van zijn instructierecht, dat is opgenomen in het Burgerlijk Wetboek, kan een werkgever het gebruik van mobiele telefoons of andere voorwerpen op de werkvloer verbieden. De bevoegdheid is eenzijdig, dat wil zeggen dat instemming van de werknemers niet nodig is. Wel dient een instructie redelijk en billijk te zijn.

Het verbod in kwestie is gegeven uit veiligheidsoverwegingen en betreft het gebruik van mobiele telefoons in een groot magazijn, waar met heftrucks en computergestuurde apparatuur wordt gewerkt. Onderlinge communicatie binnen het magazijn gebeurt met portofoons. Volgens de minister is het niet toestaan van mobiele telefoons in magazijnen uit veiligheidsoverwegingen gebruikelijk. Het verbod op het gebruik van mobiele telefoons betrof overigens een reeds langer bestaande instructie. De minister is van mening dat een dergelijke instructie niet per se onredelijk of onbillijk is.

Bron:Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid| publicatie| 2022-0000103530 | 09-05-2022

Geruisloze inbreng terecht geweigerd

De geruisloze omzetting van een onderneming in een besloten vennootschap is een faciliteit in de inkomstenbelasting, die belastingheffing bij de inbrengende ondernemer over de meerwaarde van de onderneming voorkomt. De belastingclaim op de meerwaarde wordt doorgeschoven naar de besloten vennootschap die de onderneming voortzet. Aan toepassing van de faciliteit zijn voorwaarden verbonden. De geruisloze omzetting vindt plaats op verzoek van de ondernemer. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking. Geruisloze omzetting vereist de aanwezigheid van een onderneming, zij het dat niet de gehele onderneming, zoals deze bestond op het overgangstijdstip, hoeft te worden ingebracht.

De Belastingdienst heeft een verzoek om geruisloze omzetting afgewezen omdat geen onderneming werd ingebracht. Voorafgaande aan de omzetting werd de onderneming grotendeels gestaakt. De omvang van de ingebrachte activiteiten was te gering om een onderneming te kunnen vormen. Volgens de Belastingdienst was de inbreng onderdeel van de liquidatie van de onderneming. Ook op grond daarvan kan de faciliteit van de geruisloze omzetting worden geweigerd.

Naar het oordeel van de rechtbank dient de vraag, of het resterende gedeelte van de onderneming nog steeds een onderneming vormt, te worden beantwoord naar de situatie op het tijdstip van daadwerkelijke inbreng in de vennootschap. Activiteiten, die na het overgangstijdstip zijn gestart, zijn niet van belang. De rechtbank deelde de opvatting van de Belastingdienst dat de overige activiteiten geen onderneming in materiële zin vormden.

Bron:Rechtbank Zeeland-West-Brabant| jurisprudentie| ECLINLRBZWB20222272, BRE 19/5412| 25-04-2022

Aanpassing termijn betalingsregeling

De staatssecretaris van Financiën heeft de Leidraad Invordering gewijzigd. De wijziging betreft de ingangsdatum van een met de ontvanger te treffen betalingsregeling. De maximale termijn van een betalingsregeling bedraagt twaalf maanden, gerekend vanaf de uiterste betaaldatum van de belastingaanslag. In verband met de gevolgen van de coronacrisis heeft de staatssecretaris mogelijk gemaakt dat de looptijd van de betalingsregeling begint op de datum waarop de ontvanger de betalingsregeling bij beschikking toestaat. De betalingsregeling zal worden toegekend onder de gebruikelijke voorwaarden. Deze goedkeuring geldt voor alle verzoeken om uitstel van betaling die ondernemers tot en met 30 september 2022 indienen. De goedkeuring geldt ook voor verzoeken die voor 1 april 2022 zijn ingediend als de ontvanger daar nog niet op heeft beslist.

Bron:Ministerie van Financiën| besluit| nr. 2022 – 121239, Staatscourant 2022, Nr. 12325| 08-05-2022

Bedragen minimumloon per 1 juli 2022

De bedragen van het bruto wettelijk minimumloon worden halfjaarlijks aangepast. Per 1 juli 2022 gaat het minimumloon voor mensen van 21 jaar en ouder naar € 1.756,20 per maand. Voor jongere werknemers gelden daarvan afgeleide bedragen, zoals opgenomen in onderstaande tabel.

Leeftijd Percentage per maand per week per dag
 21 jaar en ouder  100  € 1.756,20  € 405,30  € 81,06
 20 jaar  80  € 1.404,95  € 324,25  € 64,85
 19 jaar  60  € 1.053,70  € 243,20  € 48,64
 18 jaar  50  € 878,10  € 202,65  € 40,53
 17 jaar  39,5  € 693,70  € 160,10  € 32,02
 16 jaar  34,5  € 605,90  € 139,85  € 27,97
 15 jaar  30  € 526,85  € 121,60  € 24,32

 

Voor werknemers, die werkzaam zijn in de beroepsbegeleidende leerweg (bbl), gelden afwijkende staffels voor de leeftijd van 18 tot en met 20 jaar.

Leeftijd Percentage per maand per week per dag
 20 jaar  61,5  € 1.080,05  € 249,25  € 49,85
 19 jaar  52,5  € 922,00  € 212,80  € 42,56
 18 jaar  45,5  € 799,05  € 184,40  € 36,88
Bron:Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid| besluit| nr. 2022-0000065678, Staatscourant 2022, Nr. 11945| 04-05-2022

Pand verkocht aan dga voor te laag bedrag: winstcorrectie bij bv terecht aangebracht

Wanneer vaststaat dat niet de vereiste aangifte is gedaan, leidt dat tot omkering en verzwaring van de bewijslast. Dat betekent dat een beroep van de belastingplichtige tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond wordt verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. Een belastingplichtige heeft niet de vereiste aangifte als door een inhoudelijk gebrek in de aangifte de berekende belasting zowel absoluut als relatief aanzienlijk te laag is. Daarbij geldt dat de belastingplichtige zich er ten tijde van het doen van de aangifte van bewust moet zijn geweest dat door het inhoudelijke gebrek in de aangifte een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. De bewijslast, dat de vereiste aangifte niet is gedaan, rust op de inspecteur. De inspecteur dient bij het vaststellen van de aanslag uit te gaan van een redelijke schatting van het belastbare bedrag.

Winst uit onderneming is het bedrag van de gezamenlijke voordelen die worden verkregen uit een onderneming. Bij het bepalen van de winst komen uitdelingen van winst niet in aftrek. Volgens vaste jurisprudentie is een winstuitdeling een bevoordeling van de aandeelhouder als zodanig, die kan plaatsvinden uit winst of winstreserves van de vennootschap of in het vooruitzicht van te maken winst. Zowel de aandeelhouder als de vennootschap moet zich bewust zijn van de bevoordeling. De aandeelhouder moet de bevoordeling in zijn hoedanigheid van aandeelhouder hebben aangenomen. Een voorbeeld van een winstuitdeling is een verkoop door de vennootschap van een vermogensbestanddeel tegen een te lage prijs.

Volgens de Belastingdienst was sprake van een winstonttrekking bij een vennootschap die een showroom verkocht aan haar aandeelhouder. De verkoopprijs bedroeg € 670.000. Volgens de Belastingdienst was de waarde veel hoger. In de taxatie, die als basis voor de verkoopprijs had gediend, was het deel van de showroom, dat werd verhuurd aan een bedrijf van de aandeelhouder en zijn zoon, niet meegenomen. Uitgaande van de huuropbrengst van dat deel was de waarde van de showroom beduidend hoger dan de verkoopprijs. Gezien de omstandigheden leed het voor de rechtbank geen twijfel dat de vennootschap en haar aandeelhouder zich daarvan redelijkerwijs bewust hadden moeten zijn. De rechtbank vond de door de Belastingdienst veronderstelde waarde van de showroom echter niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank stelde de waarde van de showroom in goede justitie vast op € 815.000. Dat leidde tot een winstcorrectie bij de vennootschap van € 145.000.

In hoger beroep onderschreef Hof Amsterdam het oordeel van de rechtbank dat de inspecteur heeft voldaan aan zijn bewijslast dat de vereiste aangifte niet was gedaan. Het hof deelde ook het oordeel van de rechtbank dat de inspecteur met zijn schatting van de belastbare winst de grenzen van de redelijkheid heeft overschreden. Het taxatierapport, dat de inspecteur tot uitgangspunt had genomen, was gebaseerd op aanvechtbare of onjuiste veronderstellingen.

Het hof heeft de waarde van het pand in goede justitie vastgesteld. Daarbij kwam het hof uit op een hogere waarde dan de rechtbank. Het hof stelde de waarde vast op € 925.000. De winstcorrectie kwam daarmee uit € 255.000.

Bron:Gerechtshof Amsterdam| jurisprudentie| ECLINLGHAMS20221132, 21/00278| 11-04-2022

Goodwill te snel afgeschreven

Goodwill is een bedrijfsmiddel dat wordt afgeschreven in ten minste tien jaar. Dat betekent dat de jaarlijkse afschrijving op goodwill door een ondernemer maximaal 10% van de aanschaffingskosten bedraagt. Omstandigheden, die bekend zijn ten tijde van een investering in een bedrijfsmiddel, vormen geen aanleiding voor een afwaardering van het bedrijfsmiddel naar een lagere bedrijfswaarde.

Een ondernemer schreef de door hem gekochte goodwill af in drie jaar. Naar zijn mening was dit toegestaan vanwege zijn hoge leeftijd en slechte gezondheid. De verwachting dat de onderneming drie jaar na de investering in de goodwill zou worden beëindigd, was volgens de ondernemer op economische gronden gerechtvaardigd. De Belastingdienst corrigeerde de afschrijving door het opleggen van een navorderingsaanslag.

In de procedure over de navorderingsaanslag ging de rechtbank ervan uit, dat de ondernemer een zakelijke prijs heeft betaald voor de door hem overgenomen en geactiveerde goodwill. Het betrof zakelijke goodwill, die verband hield met de te verwachten overwinst van de onderneming en het overgenomen klantenbestand. Persoonlijke omstandigheden spelen geen rol bij het bepalen van de levensduur en de hoogte van de afschrijving van een bedrijfsmiddel. De door de ondernemer genoemde argumenten voor versnelde afschrijving of afwaardering naar lagere bedrijfswaarde waren persoonlijke omstandigheden. De rechtbank wees erop dat de Wet IB 2001 afwaardering op lagere bedrijfswaarde in dit geval niet toestaat, omdat de aangevoerde persoonlijke omstandigheden bekend waren ten tijde van de aanschaf van de goodwill.

De rechtbank was van oordeel dat de Belastingdienst de te hoge afschrijving op de goodwill terecht heeft gecorrigeerd.

De Belastingdienst heeft tegelijk met de navorderingsaanslag een vergrijpboete van 25% opgelegd wegens grove schuld. Naar het oordeel van de rechtbank is de Belastingdienst geslaagd in het aannemelijk maken van grove schuld. Ter zake van het in drie jaar afschrijven van de geactiveerde goodwill is de ondernemer terecht verweten dat zijn gedraging in laakbaarheid aan opzet grenst. De ondernemer heeft eerder gewerkt als registeraccountant bij een groot accountantskantoor. Sinds zijn pensionering voerde hij een eigen aangiftepraktijk en maakte hij gebruik maakte van een eigen beconnummer. Hij had moeten weten dat de Wet IB 2001 voor goodwill een afschrijvingstermijn van minstens tien jaar voorschrijft. Ook onder de oude regeling, waarop de ondernemer zich beriep, kon de goodwill niet in een termijn van drie jaar worden afgeschreven.

Bron:Rechtbank Noord-Holland| jurisprudentie| ECLINLRBNHO20223447, HAA 20/3866, HAA 20/3867 en HAA 20/3868| 25-01-2022

Werkneemster hoefde andere functie niet te accepteren

Een gemeente is in kort geding veroordeeld om een werkneemster binnen zeven dagen na de betekening van het vonnis haar gebruikelijke werkzaamheden te laten verrichten. De gemeente heeft tegen het kort geding vonnis spoedappel ingesteld. Na rappel van de advocaat van de werkneemster deelde de gemeente mee dat zij de werkneemster op een andere afdeling in wilde zetten. De werkneemster wenste niet mee te werken aan een functiewijziging en startte een nieuw kort geding.

De rechter in kort geding stelde vast dat partijen het erover eens waren dat de arbeidsovereenkomst geen eenzijdig wijzigingsbeding bevatte. Uit een arrest van de Hoge Raad uit 2008 volgt dat bij het ontbreken van een eenzijdig wijzigingsbeding een werknemer instemmen met een voorstel tot wijziging van de arbeidsovereenkomst als aan drie voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet sprake zijn van gewijzigde omstandigheden waarin de werkgever als goed werkgever aanleiding heeft kunnen vinden om een wijziging van de arbeidsvoorwaarden voor te stellen. Ten tweede dient de werkgever een redelijk voorstel te doen, waarvan ten derde de aanvaarding gezien de omstandigheden in redelijkheid van de werknemer kan worden verlangd.

Volgens de rechter is niet aan de voorwaarden uit het arrest voldaan, omdat er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden die aanleiding gaven om een wijzigingsvoorstel te doen. De stelling van de gemeente dat de relatie met de collega’s op de afdeling teveel beschadigd is om deze te kunnen herstellen, is in het vonnis van de eerdere procedure al afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Waar eerder is geoordeeld dat de gemeente geen redelijke en voldoende zwaarwegende grond had om de werkneemster niet meer toe te laten tot haar werk, kan op basis van hetzelfde feitencomplex evenmin worden geoordeeld dat die omstandigheden een wijzigingsvoorstel kunnen rechtvaardigen. De rechter erkende dat de arbeidsverhouding sterk onder druk stond, maar dat maakt niet dat de gemeente de werkneemster de kans op herstel daarvan niet meer hoeft te bieden. De gestelde verstoorde verhoudingen waren niet enkel aan de werkneemster te wijten, aangezien ook de gemeente heeft bijgedragen aan het escaleren van de situatie.

De rechter in kort geding is van oordeel dat de gemeente de werkneemster ten onrechte eenzijdig een functiewijziging heeft opgelegd en dat de werkneemster recht op terugkeer in haar functie heeft. De vordering tot wedertewerkstelling is toegewezen op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000 per dag of gedeelte daarvan, met een maximum van € 100.000.

Bron:Rechtbank Gelderland| jurisprudentie| ECLINLRBGEL20222054, 9670617| 18-04-2022

Twee naheffingsaanslagen parkeerbelasting voor zelfde parkeeractie

De Gemeentewet bevat een opsomming van belastingen die gemeenten mogen heffen. De parkeerbelasting is een vorm van toegestane belastingheffing. Voor het opleggen van een naheffingsaanslag mogen kosten in rekening worden gebracht. Ten aanzien van hetzelfde voertuig worden per aaneengesloten periode de kosten niet vaker dan eenmaal per kalenderdag in rekening gebracht. De wet kent geen beperking ten aanzien van het aantal dagen waarop een naheffingsaanslag parkeerbelasting inclusief kosten kan worden opgelegd, ook al betreft het een aaneengesloten periode waarin het voertuig stond geparkeerd.

Naar aanleiding van parkeren zonder dat parkeerbelasting was voldaan zijn aan de eigenaar van een auto twee naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd. De eerste was het gevolg van een parkeercontrole op 19 december 2019 ’s avonds. De tweede was het gevolg van een parkeercontrole op 20 december in de ochtend. In de procedure naar aanleiding van de tweede naheffingsaanslag voerde de belanghebbende aan dat hem slechts een naheffingsaanslag mocht worden opgelegd. Beide naheffingsaanslagen hadden betrekking op hetzelfde feit. De belanghebbende meende dat het opleggen van een naheffingsaanslag een vorm van strafvervolging is. Dubbele bestraffing voor hetzelfde feit is niet toegestaan.

Hof Amsterdam volgt deze opvatting niet. Het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting is geen bestuurs- of strafrechtelijke sanctie, maar naheffing van niet betaalde parkeerbelasting met doorberekening van de aan het opleggen van de naheffingsaanslag verbonden kosten. Er bestaat geen grond voor de opvatting dat het kostenbedrag dient als straf ter afschrikking van herhaling. Van dubbele bestraffing is derhalve geen sprake.

Bron:Gerechtshof Amsterdam| jurisprudentie| ECLINLGHAMS20221039, 21/00562| 04-04-2022

Tegemoetkomingen sportorganisaties en -accommodaties

Om amateursportorganisaties financieel te ondersteunen, is de Beleidsregel tegemoetkoming amateursportorganisaties en verhuurders sportaccommodaties opgesteld. De minister voor Langdurige Zorg en Sport heeft de Beleidsregel gewijzigd. Er zijn twee hoofdstukken toegevoegd op grond waarvan een financiële bijdrage beschikbaar wordt gesteld voor de periode van 1 november 2021 tot en met 31 januari 2022. Door de opgelegde beperkingen in deze periode hebben sportclubs minder gebruik kunnen maken van sportaccommodaties en zijn de inkomsten uit de sportkantine of kaartverkoop weggevallen.

De bijdrage geldt voor:

  • amateursportorganisaties, die in de bedoelde periode een omzetverlies van minimaal 10% hebben geleden ten opzichte van de periode van 1 november 2019 tot en met 31 januari 2020; en
  • de gederfde huurinkomsten van gemeenten, sportbedrijven en particuliere verhuurders tijdens de periode van 1 november 2021 tot en met 31 januari 2022.

Voor de berekening van de financiële schade wordt niet langer gekeken naar het totaal van vaste lasten, personeelskosten, bondsafdrachten en kantineresultaat. In plaats daarvan bedraagt de financiële schade een vast percentage van de totale inkomsten van de aanvrager in het laatst afgesloten boekjaar voor de COVID-19 uitbraak.

De tegemoetkoming voor de huurinkomstenderving van sportaccommodaties in de vierde tranche is grotendeels gelijk aan de tegemoetkoming voor huurinkomstenderving in het tweede kwartaal van 2021. Wel vervalt het onderscheid in vergoedingspercentages tussen gebruiksgebonden en niet-gebruiksgebonden huur.

Bron:Overig| besluit| Staatscourant 2022 nr. 11381 | 28-04-2022

Referentieobjecten WOZ-waardering

In een procedure voor Hof Arnhem-Leeuwarden was in geschil of de waarde van een woning te hoog was vastgesteld. De belanghebbende bestreed de vastgestelde waarde aan de hand van drie referentieobjecten die aan dezelfde weg gelegen waren. De waardematrix van de heffingsambtenaar bevatte vijf referentieobjecten, waarvan twee woningen ook op het lijstje van de belanghebbende stonden. Volgens de belanghebbende waren de andere drie door de heffingsambtenaar opgevoerde woningen als referentieobject ongeschikt en heeft de heffingsambtenaar de door de belanghebbende als derde opgevoerde woning ten onrechte niet meegenomen bij de waardebepaling. De heffingsambtenaar had die woning niet meegenomen vanwege de lage verkoopprijs ten opzichte van de andere referentiewoningen. Volgens het hof week de transactieprijs van deze woning zozeer af van de andere prijzen dat deze woning buiten beschouwing moest blijven, omdat een opgaaf van reden voor de lage prijs ontbrak. De heffingsambtenaar heeft onderzocht of sprake was geweest van een onzakelijke transactie, maar dat bleek niet het geval te zijn. Een reden voor de afwijkende transactieprijs heeft hij niet kunnen achterhalen.

Volgens de Hoge Raad is zonder nadere motivering niet begrijpelijk waarom het prijsverschil aanleiding zou moeten zijn om de gegevens met betrekking tot de recente verkoop van deze woning buiten beschouwing te laten. Hof Den Bosch moet de zaak nu verder behandelen.

Bron:Hoge Raad| jurisprudentie| ECLINLHR2022664, 21/03975| 28-04-2022